Deradicaliseringstraject Berlijnse aanslagpleger roept vragen op over toezicht en risicobeoordeling
De aanslag op de Pride in Berlijn, gepleegd door de 21-jarige Abdul B., heeft een scherp licht geworpen op de werking van deradicaliseringstrajecten in Duitsland. De dader was in het kader van een dergelijk traject op vrije voeten, ondanks dat zijn behandelaars aan zijn motivatie twijfelden. Het Violence Prevention Center (VPC), onder leiding van Thomas Mücke, had B. in een voorfase van het traject, maar zag op dat moment geen aanwijzingen voor acuut gewelddadig gedrag.
Achtergrond van de dader en het traject
Abdul B., een Libanees-Duitse man, was al jaren bekend bij de Duitse veiligheidsdiensten vanwege terreurdreiging. Hij had geprobeerd zich aan te sluiten bij IS en was veroordeeld voor het voorbereiden van een terreurdaad. Zijn vervroegde vrijlating was gekoppeld aan de belofte dat hij zou deelnemen aan een deradicaliseringstraject bij het VPC.
Het VPC hanteert een gestructureerde intakefase, bestaande uit drie gesprekken, om de motivatie van kandidaten te beoordelen. Mücke verklaart: 'We onderzoeken eerst of iemand echt gemotiveerd is. Die fase omvat drie gesprekken. Daarna wordt besloten of iemand het traject kan volgen, of wordt terugverwezen naar justitie.' B. had twee van deze gesprekken doorlopen. Het derde gesprek stond gepland voor de maandag na de aanslag, die minder dan 48 uur eerder plaatsvond.
Beoordeling van het risico door behandelaars
Hoewel het team van Mücke twijfels had over B.'s oprechtheid, leidden deze niet tot een inschatting van acuut gevaar. 'We besloten voorzichtig te zijn. Hij moest verder onderzocht worden', aldus Mücke. 'We zagen geen signalen die op acuut gevaar duidden, op geen enkele manier.' B. kwam volgens Mücke vriendelijk over, maar gaf gecontroleerde antwoorden, wat hem 'ongrijpbaar' maakte. De combinatie met zijn lichaamstaal en mimiek versterkte de twijfel bij de hulpverleners.
Het VPC was op dat moment niet op de hoogte van de inschatting van de antiterreureenheid, die B. in de zwaarste risicocategorie 'rood' had geplaatst. Ook was niet bekend dat twee van zijn neven zich bij IS zouden hebben aangesloten, zoals gemeld door Die Zeit.
Reflectie en veiligheidsmaatregelen na de aanslag
Na de aanslag heeft het team van Mücke een uitgebreide reflectie op de gang van zaken aangekondigd. In de eerste uren en dagen overheerste schrik en angst, omdat B. nog op vrije voeten was. Het team werd uit voorzorg beveiligd, uit vrees dat zij zijn volgende doelwit zouden worden. Zondagavond werd B. door de politie doodgeschoten.
Effectiviteit van deradicaliseringsprogramma's
Het VPC behandelt al meer dan twintig jaar geradicaliseerde moslims en andere vormen van extremisme. Mücke benadrukt het hoge slagingspercentage: 'We hebben 490 islamisten behandeld, van wie slechts één een terugval heeft gehad.' Het deradicaliseringstraject duurt jaren en omvat intensieve gesprekken. Voor B. stonden 26 sessies gepland.
Mücke legt de methodiek uit: 'Als iemand zegt dat de islam en democratie niet bij elkaar horen, vragen we wat hij ermee bedoelt. Het gaat erom dat ze zelf leren nadenken, want bij extremisme wordt vooral gevolgd, niet zelf nagedacht.' De volgende stap is het onderzoeken van de persoonlijke, emotionele conflicten die aan het extremisme ten grondslag liggen, zoals een slechte thuissituatie. Tot slot moet de persoon worden gereïntegreerd in de samenleving.
Publieke en bestuurlijke reacties
In Duitsland is er verbazing dat B. tijdens het deradicaliseringsproces op vrije voeten mocht blijven. Mücke erkent dat dit onderdeel is van het traject, maar stelt dat B. in dit geval beter gemonitord had moeten worden. Hij relativeert de kritiek door te wijzen op het grotere plaatje: 'Als het misgaat, zoals afgelopen weekend, dan gaat het meteen dramatisch mis. Maar ik wil niet weten wat er was gebeurd als wij de geslaagde gevallen niet hadden behandeld.'
Conclusie
De zaak Abdul B. illustreert de complexe afwegingen bij deradicaliseringstrajecten, waar rehabilitatie en risicobeheersing hand in hand moeten gaan. De gebrekkige informatie-uitwisseling tussen het VPC en de antiterreureenheid roept vragen op over de coördinatie en het toezicht. De komende evaluatie van het VPC zal naar verwachting leiden tot aanbevelingen voor aanscherping van de procedures.